Mooie vrouw

Door zijn snor loopt een kaal streepje en rechtsboven mist hij een kies. 'Mooie vrouw,' zingt hij, 'mooie vrouw. Ik ben hier alleen voor jou. Mooie vrouw, mooie vrouw. Ik zing dit lied alleen voor jou.' Hij begeleidt zichzelf op een gitaar met vijf snaren en straalt een aanstekelijk plezier uit, terwijl de roltrap van station Ganzenhoef ons steeds hoger voert. De muziek echoot tegen het beton.

Op het perron schijnt de zon. De muzikant raakt in vervoering; hij speelt een solo terwijl ik de melodie fluit en ritmisch in mijn handen klap. Hij wiegt met zijn heupen en draagt zijn gitaar bijna teder. Als de metro voor ons stopt en zijn deuren uitnodigend open houdt stap ik in. Hij blijft buiten staan spelen. Spijt bekruipt me, hij zal toch wel meegaan? Anders stap ik weer uit hoor. Op het laatste moment stapt hij in, het sluit-signaal valt precies in de maat. We lachen naar elkaar - blijk van herkenning tussen muzikanten - en spelen verder.

Een paar stations later valt hij even stil. Ik knoop een praatje aan. 'Ik zit in de bak,' zegt hij plompverloren, maar zijn ogen blijven stralen. 'Voor boetes. Ik heb nu zestig uur verlof. Zwart gereden in de metro, nooit betaald. Kreeg ik een brief, weer niet betaald. Tenslotte kon ik kiezen, betalen of de bak in. Zeven weken. Nou, ik had geen geld.' Hij lacht. Zachtjes tokkelt hij op zijn gitaar.

Enthousiast: 'ze willen me allemaal graag houden daar. Ik kan met iedereen goed opschieten. Daar speel ik ook weet je. De bewakers, ze mogen me allemaal. Soms mag ik een keer extra luchten. Dan ga ik op de binnenplaats zitten spelen.' Hij grijnst. 'Er werk een vrouw daar, die haalt muziek voor me uit de Openbare bibliotheek als de gevangenis-bibliotheek die niet heeft. Voor haar heb ik dit liedje gemaakt. Ze heeft een vriend, die werkt daar ook. Die vindt het maar niks dat ze mij zo helpt. "Je slooft je veels te veel uit voor die zwarte," zegt hij dan.' Het tokkelen gaat over in een wild arpeggio.

Hij kijkt even naar buiten terwijl we de Bijlmerbajes passeren. 'Normaal heb ik een karretje met schaafijs, maar dat is alleen voor in de zomer. Ik wil er iets anders bij gaan doen. Ik heb ook een band.' Kijkt me aan. 'Jij bent ook een muzikant he?' Ik knik. 'Wat speel je? Bas? Ik had een bassist, helemaal opgeleid, maar nu zit een andere band achter hem aan.' Ik vertel dat ik zin krijg om een akoestische basgitaar te kopen als ik hem hoor spelen. 'Ja? Ik hou van akoestische muziek, weet je.'

Klaagt dan over het ontbreken van een snaar. 'De D-snaar is heel gevoelig man. Mijn broer speelt ook, die heeft gisteravond al m'n reservesnaren meegenomen. Kut is dat. Ik wilde de stad in, nog wat verdienen.' Hij wijst op het plastic bekertje dat hij onder zijn T-shirt heeft geklemd. 'Maar ik moet nu eerst naar Dirk Witte om een setje snaren te kopen. Ken je dat, Dirk Witte?' Ik knik.

Hij tuurt naar de klok op het perron van het Amstelstation. 'Zou ik het nog halen, denk je?' Afwezig tokkelt hij een loopje. 'Naar Dirk Witte. Waar kan ik er dan het beste uit?' 'Waterlooplein,' zeg ik, 'maar je moet dan nog wel een flink eind lopen hoor. Rembrandtplein voorbij, Reguliersbreestraat uit en dan linksaf.' We schieten de tunnel in. Op Wibautstraat stapt een kennis naar binnen. 'Hee Peter!'

Als we op Waterlooplein stoppen geef ik 'm een klopje op z'n schouder. 'Je moet eruit hoor. Rennen joh! Dag!' Hij stapt uit en zet een sukkeldrafje in. Ik steek m'n hand op. Even later trekt de metro op. Ik zie hem niet meer op het perron lopen; hij moet al op weg zijn naar boven. Dag kleine troubadour, zet 'm op! Ik duim voor je dat je Dirk Witte haalt voor sluitingstijd. Want zonder snaren zitten, ik weet er alles van.

Terwijl we station Nieuwmarkt binnenrijden, zing ik zachtjes voor me uit. 'Mooie vrouw, mooie vrouw. Ik ben hier alleen voor jou. Mooie vrouw, mooie vrouw. Ik zing dit lied alleen voor jou.' En ik denk aan haar die bijna jarig is.

Erik van den Muijzenberg, 31 mei 1997


E.P. van den Muijzenberg - Amsterdam